Monsterlijk noemen ze mij. Afzichtelijk ook. Ik geef toe: Ik ben niet moeders mooiste. Ik heb geen perzikhuid van Perseus of poezelige handen van Afrodite. Ik vraag je: Moet ik daarom boeten? Moet ik daarom eeuwig dwalen in dit donkere doolhof?

Ik zie je fladderen, vlinder. Zie je mij ook?
Ik ben hier. In de duisternis. Alsjeblieft. Kom dichterbij.
Nee, ik vermorzel je niet. Ik ben maar een schaap in wolfskleren.

Jij was ooit ook een gedrocht. Een schepsel met harige poten, omwikkeld door plakkerige draden. Nee, niet wegvliegen. Ik bedoel alleen: Kijk eens hoe prachtig je nu bent. Met je paarse vleugels en witte stippen.

Toen ik geboren werd, half mens, half… monster, zoogde mijn moeder mij als haar bloedeigen zoon. Koning Minos, mijn stiefvader, kon het niet uitstaan. ‘Dat beest aan je borst is een bottenkraker, een kille kinderverslinder!’ schreeuwde hij. Mijn moeder huilde als een wolvin toen hij mij losrukte en in dit doolhof dumpte. Daar lag ik. In een duister gangenstelsel vol modder, kriebelige insecten en héél soms mensenvlees. Om precies te zijn: Eens in de twee jaar. Stel je voor dat jij om de twee jaar eten krijgt. Dan eet je het toch ook op? Al zijn het stinkende sokken, je probeert het. Misschien roep je wel: ‘Wat een knapperig katoen! Wat een smakelijk elastiek!’

Weet je, vlinder? Ik heb het leren eten. Mensenvlees. Kindervlees. Het went. Zoals het went dat je alle achtduizendachthonderdachtentachtig tegels van een labyrint kent. Betast. Tot je klauwen ervan bloeden.
Soms droom ik dat ik vleugels heb. Net zoals jij. Dan stijg ik op uit dit bedompte doolhof. Met elke slag voel ik mij lichter. De geur van rottend vlees maakt plaats voor een frisse lentebries. Vogels fladderen speels om mijn horens.

Vlinder, wil jij mij leren fladderen? Ik eet nooit meer kinderen. Beloofd.
Nee, zelfs geen kip of konijn. Vlinder, je bent zo lief. Kom gezellig zitten op mijn snuit.
Vlinder, je bent zo … Hoe moet ik het zeggen? Gruwelijk lekker.

 

Floor Tinga – BoekieBoekie Griekse Helden (2018)